Een aantal schaaktermen
Schaken heeft een aardig aantal termen. Hier vind je er een aantal, die handig zijn om te kennen. Als je al even schaakt zal je de meeste wel kennen. Begin je net met schaken, dan is het handig om het lijstje even door te lezen, zodat je niet raar staat te kijken als iemand met allerlei schaaktermen begint te smijten!
Centrum
Ik heb het al een paar keer over het centrum gehad. Het centrum is het deel van het bord in het midden. Strikt gesproken de vier middelste velden. Deze zijn het belangrijkste, want hier zijn stukken meestal het meest actief. Soms wordt in ruimere zin de ring velden om het centrum heen ook nog wel tot het centrum gerekend. Deze velden zijn ook redelijk centraal en dus vaak ook belangrijk, vergeleken bij de velden aan de randen.

(1) Het centrum van het schaakbord
Koningsvleugel en damevleugel
De kant waar de koning begint (dus de f, g en h-lijn) wordt de koningsvleugel genoemd. Andersom heet het gebied van de a,b en c-lijn de damevleugel. Nu hebben we dus drie gebieden op het bord die we kunnen onderscheiden: het centrum, de koningsvleugel, en de damevleugel.
Ruimte
Ruimte is een interessant begrip bij schaken. Dat komt omdat het niet zo heel lastig te begrijpen is, maar vaak wel lastig om te gebruiken. Eerst maar eens kijken wat ruimte is. Ik maak altijd een onderscheid tussen ruimte en activiteit van de stukken. Ruimte is het gebied (de velden) achter je pionnen. Als je pionnen dus verder staan heb je meer ruimte. Als in plaats daarvan je stukken verder zouden staan, en er geen pionnen zijn, heb je dan meer ruimte? Je zou kunnen zeggen van wel, maar je zou beter kunnen zeggen dat je stukken dan actiever zijn. Zo heb je mooi twee onderscheidbare definities: ruimte en activiteit.

(2) Wit heeft veel meer ruimte.
Activiteit
Een stuk kan op verschillende manieren actief zijn. Een stuk is actief als het veel velden controleert, zeker als het belangrijke velden zijn. Een stuk kan ook actief zijn als het een belangrijk stuk aanvalt, of een belangrijk veld verdedigd. Simpel gezegd is je stuk dus gewoon actief als het iets nuttigs doet.

(3) De loper en de koning van wit zijn actiever dan die van zwart.
Fianchetto
Nu gelijk een wat moeilijkere term. Eigenlijk spreek je de ch in fianchetto uit als een "k", maar erg vaak zal je mensen "sj" horen zeggen. Hoe dan ook, gaat het om een bepaalde manier om je stukken te ontwikkelen. In het diagram zie je links een voorbeeld hoe je meestal ontwikkelt, en rechts een voorbeeld hoe zwart een fianchetto heeft op de koningsvleugel. Links zou zwart de loper bijvoorbeeld naar e7, d6 of b4 kunnen ontwikkelen. Rechts heeft zwart g6 gespeeld om zijn loper op g7 te zetten. Deze opzet van g6 en Lg7 noemen we de fianchetto. Op dezelfde manier zou je dit op de damevleugel kunnen doen, en hoewel ik hier een voorbeeld voor zwart heb gegeven kan wit uiteraard hetzelfde doen.


Tempo
Tempo is de eenheid van tijd in schaken. Bij schaken doen we om de beurt zetten, en de tijd die je in een zet hebt noemen we 1 tempo. Deze term is met name belangrijk in het begin van de partij wanneer je probeert snel je stukken te ontwikkelen. Als het veel zetten kost om je stukken te ontwikkelen verspil je dus veel tempo's (tempi, zo u belieft).
Compensatie
Een term die je misschien veel hoort is compensatie. Dit betekent dat de ene speler een bepaald ander voordeel heeft (de compensatie), voor een nadeel dat hij heeft. Zo kan een speler bijvoorbeeld actieve stukken hebben terwijl hij een pion (materiaal) minder heeft. Hij heeft dus activiteit als compensatie voor een pion.
Gambiet
In de opening van een partij kan een speler materiaal, meestal een pion, maar soms ook een heel stuk, geven om snel zijn stukken te kunnen ontwikkelen. Dit is dus nog een voorbeeld van de compensatie hierboven: een speler heeft meer ontwikkeling als compensatie voor een pion. Er zijn in de schaakopening veel verschillende gambieten. Sommige zijn beter dan andere (geven dus meer compensatie). Gambieten kunnen best gevaarlijk zijn. Als de speler een grote ontwikkelings voorsprong heeft, kan hij proberen de tegenstander aan te vallen voordat deze zijn ontwikkeling af kan maken.
Simultaan
Een term die misschien niet direct met het spel te maken heeft zoals de anderen, maar wel met schaken is simultaan. Bij een simultaan speelt een sterke speler, meestal een grootmeester tegelijkertijd op meerdere borden tegen meerdere spelers. De simultaanspeler gaat in een cirkel een voor een langs de borden. Zodra hij bij het bord komt speelt de tegenstander op dat bord zijn zet (terwijl de simultaangever langs de andere boorden gaat heeft hij de tijd om na te denken) en dan speelt de simultaangever zijn zet en gaat naar het volgende bord. Zo gaat hij elke keer alle borden langs en speelt zijn zetten. De simultaangever heeft dus de uitdaging om alle partijen tegelijk te spelen, terwijl de tegenstanders de kans krijgen om tegen sterke tegenstand te spelen.

(4) Simultaan schaken
