Niveau 2
Aanvallen en verdedigen
Schaken is het spel van aanvallen en verdedigen. Aanvallen betekent dat jouw stuk een stuk van de tegenstander kan slaan. Je tegenstander kan dan een ander stuk zo zetten dat hij dat stuk terug kan pakken. Als jij dan het stuk zou pakken kan je tegenstander het stuk terugpakken. Dat noem je verdedigen of ook wel dekken.


In het linkerdiagram zie je dat de loper het paard aanvalt. In het rechterdiagram is het paard echter verdedigd door de pion (zwart speelt altijd van boven naar beneden in deze diagrammen). Als wit nu het paard zou pakken kan zwart de loper terug pakken.
Aangezien in het voorbeeld de loper evenveel waard is als het paard, is dit een gelijke ruil. Als het paard nou een toren of een dame was geweest, was het goed voor wit om de toren of dame te pakken, ondanks dat deze verdedigd stond, een toren of dame is immers meer waard dan een loper! Andersom geldt natuurlijk ook dat als de loper een dame was geweest het niet slim is om deze te ruilen voor een paard. Je wilt dus alleen ruilen als het stuk meer waard is dan jouw stuk. Als de stukken evenveel waard zijn kan je wel ruilen, maar het hoeft niet. Wanneer het slim is om te ruilen of niet in zo'n geval leer je vanzelf.
Als je tegenstander een stuk van jou aanvalt dat meer waard is dan zijn stuk, kan je bijvoorbeeld het stuk wegzetten, of een ander (minder waardevol) stuk tussen jouw stuk en de aanvaller zetten mits deze verdedigd is (anders geef je dat stuk gewoon weg).
Schaak en schaakmat
Schaak
Schaak is een belangrijk onderdeel en heeft alles met de koning te maken. We weten inmiddels wat aanvallen is. Een bijzonder geval is wanneer de koning aangevallen staat. We noemen dit schaak. Aangezien de koning niet schaak (dus aangevallen) mag staan, moet je dit voorkomen door bijvoorbeeld weg te lopen met de koning.
Schaakmat
Wanneer de koning schaak staat en hij kan niet meer vluchten of op een andere manier voorkomen dat hij schaak blijft staan heb je verloren, je staat dan schaakmat. Het doel van schaken is dus om te voorkomen dat je mat staat, en te proberen de tegenstander mat te zetten. Dit is de enige manier om te winnen (of je tegenstander kan opgeven wanneer hij geen enkele mogelijkheid meer ziet om nog te winnen en zelf uiteindelijk mat zal gaan).
Rokade

(2) korte en lange rokade
Nu nog een drietal bijzondere zetten in het schaken die nog niet behandeld zijn. Ze zijn best lastig om te leren, maar erg belangrijk en nuttig. De eerste is de rokade. Het is een zet met twee doelen. Je brengt de kwetsbare koning in veiligheid en je brengt de toren in het spel. Dit is de enige zet die twee stukken beweegt en hij gaat als volgt: je zet je koning twee velden naar links of rechts, en vervolgens plaats je de toren in de hoek direct over de koning heen naast de koning. In het ene geval zal de toren dus drie velden opschuiven (dit noemen we de lange rokade), en in het andere geval twee velden (dit is de korte rokade). Er zijn nog wel wat regels waar de rokade aan moet voldoen:
- De koning mag niet schaak staan.
- De koning mag geen schaak komen te staan.
- De koning mag niet over een veld heengaan waarop hij schaak zou staan.
- Noch de koning noch de toren mogen al eens gespeeld hebben. (ze staan dus nog op de beginpositie zonder al bewogen te hebben).
- Tussen koning en toren mogen vanzelfsprekend geen andere stukken staan.
De rokade is een erg belangrijke zet en zal in bijna iedere partij voorkomen. Het is meestal fijner om je koning aan de zijkant te hebben (waar hij veilig achter pionnen kan schuilen) en je torens in het midden (waar ze mee kunnen doen aan de slag in het centrum). Waar je nog even op moet letten bij de rokade is dat je jezelf aanleert om eerst de koning te zetten en dan pas de toren eroverheen en nietomgekeerd. In officiële partijen mag dit namelijk niet. Wanneer je de toren namelijk loslaat wordt dit als je zet gezien. Je mag dan niet meer de koning eroverheen plaatsen. Daarom moet je het andersom doen. Door eerst de koning twee plaatsen te zetten (wat normaal niet zou kunnen) is het duidelijk dat je gaat rokeren en zal er geen probleem ontstaan wanneer je vervolgens je toren eroverheen plaatst.
Promoveren
Nu de tweede bijzondere zet. Deze heeft betrekking op de pion. We weten dat deze alleen vooruit beweegt, en schuin vooruit slaat. Hij zal dus altijd verder vooruit gaan en nooit terug. Wanneer de pion de overkant bereikt zou dit een probleem geven. Daarom mag je als je pion de overkant bereikt hem promoveren in een stuk naar keuze. Je kan kiezen uit een dame, toren, loper of paard. De keuze zal uiteraard bijna altijd op een dame vallen, maar er zijn uitzonderingen waar je liever een ander stuk zou hebben. Als je al een dame hebt maakt dat niks uit, je pakt gewoon nog een dame uit een ander schaakspel (in onofficiele partijen kan je ook wel een toren op zijn kop als dame gebruiken, of zelfs een pion op de zijkant leggen mits deze niet weg rolt).
En-passent
De derde en laatste bijzondere zet heeft ook betrekking op de pion, en wel op het feit dat deze twee velden vooruit mag in het begin van zijn reis. Dit voordeel wordt licht ontnomen door deze regel. En-passen betekent in het frans zoiets als "in de voorbijgang". Wanneer een pion een veld aanvalt dat voorbijgegaan wordt door de eerste zet van een pion, dan mag de aanvallende pion de andere slaan, alsof hij slechts één veld naar voren is gegaan. Let er wel op dat dit direct dient te gebeuren. Je krijgt dus maar 1 keer de kans om dit te doen. Hieronder staat gelijk een voorbeeld waarin deze zet helemaal duidelijk wordt.